Droogte  Ê

Droogte

 

De groep had zijn kamp opgeslagen in de desolate uiteinden van wat eens een groene uitloper van het tropisch regenwoud in Venezuela was geweest. Een overhangende rots was hun beschutting gedurende de dag. Dertig mannen, vrouwen en kinderen en ze waren op weg naar die ene bestemming. Een bestemming die een mogelijke verlenging van hun bestaan op Aarde zou kunnen betekenen. Het was nu precies twee weken geleden dat ze de opdrogende bron hadden verlaten. Ze konden niet langer blijven in de wetenschap dat dat een zekere dood zou betekenen. Met zijn dertigen hadden ze zich afgesplitst van de gemeenschap bij de bron, die het lef niet hadden gehad om de onzekere sprong in het duister te wagen.

Vijfenveertig jaar geleden was het einde van het einde begonnen, eerst nog door niemand herkend. Er viel dat jaar onmiskenbaar minder regen dan ooit tevoren en de akkers en vlaktes lagen te sidderen onder de genadeloze zon. Niemand begreep waarom het ineens zo droog was geworden, waarom er dag na dag, maand na maand vrijwel geen wolkje meer aan de hemel verscheen. Iedereen was het er over eens, dit kon zo niet door gaan. Dit zou het zwartste jaar uit de geschiedenis worden. Maar het ging door… Bij toeval, hadden astronauten in het internationale ruimtestation ISS iets opgemerkt dat ze nog nooit tevoren hadden gezien. Vanuit hun hoge observatorium zagen ze op een aantal plekken nevelachtige slierten de dampkring uit gaan. Zoals de geisers in het Yellowstone park hun stoom afbliezen, leek het in de dampkring honderd maal zo groot af te spelen. Onderzoek na onderzoek, test na test en uiteindelijk na anderhalf jaar, kwamen de natuurkundigen er achter dat er een natuurverschijnsel in werking was gezet dat men niet voor mogelijk had kunnen houden. Er zaten lekken in de dampkring die vocht uit de hogere luchtlagen wegtrok tot buiten de dampkring. Voordat wolken zich konden vormen en samenpakken om als vaste vorm naar beneden te vallen, werd de damp al weggezogen. En het nam in hevigheid toe. De zon brandde genadeloos door en als eerste vielen de ondiepere meertjes en rivieren droog. Oogsten mislukten over de gehele wereld en het klimaat werd drastisch anders. Men begon in te zien dat dit een serieus probleem was. Eerder was men al geconfronteerd geweest met gaten in de ozon laag en door de jaren heen waren talloze maatregelen genomen, die het milieu hadden gebaat maar nu stond men voor een raadsel.

De droogte hield aan en het water van de zeeën begon zich terug te trekken. In Europa vielen de grote rivieren uit de hoger gelegen bergen droog met desastreuze gevolgen. Nederland, miljoenen jaren een deltagebied van slibafvoerende rivieren en gekscherend het afvoerputje van Europa genoemd, kwam met een probleem van ongekende omvang te zitten. Meren en rivieren lagen droog en al na vier jaar was landbouw en irrigatie onmogelijk geworden. De grootste waterbeheerser van de wereld lag als een vis op het droge naar adem te happen. Optimisten hadden het als een bezienswaardigheid gezien toen de Noordzee na vier jaar droog viel. Er werden autoraces georganiseerd op de drooggevallen zeebodem en een lange stoeten van auto’s trokken dagelijks vanuit het vasteland van Europa naar het aan de ene zijde drooggevallen Engeland. Maar de lol ging er snel af. Verboden op onnodig waterverbruik deden massaal hun intreden. Massa-industrie kwam tot stilstand en de maatschappij was volledig ontwricht. Alle kennis over de gehele wereld werd gebundeld en kosten nog moeiten werden gespaard om het wegvloeien van het waterdamp tot staan te brengen. Er werden raketten de dampkring ingeschoten met verschillende ‘oplossingen’, van sulfaten tot complexe chemische verbindingen, maar de resultaten waren eerder desastreus te noemen. En toen volgde in het twintigste jaar van de droogte de genadeslag. Door de erbarmelijke omstandigheden van met name de drukst bevolkte gebieden brak er een virus uit dat de totale bevolking halveerde. Het begon in Azië en verspreide zich razendsnel over de hele Aarde.  

Het leven op Aarde was volledig verlamd, totaal tot stilstand gekomen. Toen was het idee ontstaan om leven te concentreren rond en vooral op de zeeën. Er werden in razend tempo drijvende steden gebouw die uiteindelijk geheel zelfvoorzienend waren. De kern bestond uit een waterfabriek die de capaciteit had om het drijvende plateau te voorzien van drinkwater. Drijvende akkers werden vastgeketend aan een woonkern en deze drijvende steden stonden onder streng toezicht van de Global Industrial Control, de GIC, die de drijvende steden beheerste en verdeelden. Maar niet lang daarna ontstonden de eerste plunderingen door ongeorganiseerde bendes die in toenemende mate aan piraterij deden. Het liep volledig uit de hand en de GIC voerde complete zee oorlogen om de steden te beschermen. De drijvende steden werden forten, met raketbewapeningssystemen en omringd door oorlogsschepen. Maar de neergaande spiraal door de droogte was onomkeerbaar en het grootste deel van de mensheid werd uiteindelijk aan haar lot overgelaten. Het was ieder voor zich en de GIC werd een eliteorganisatie die er voornamelijk was om zichzelf te laten overleven. Er werd minder en minder vliegverkeer mogelijk en uiteindelijk waren het alleen vliegtuigen van de GIC die nog sporadisch hoog aan de hemel zichtbaar waren.

De kleine, achtjarige Susan was bij haar grootvader op schoot gekropen en nestelde zich lekker tegen hem aan.
“Opa, wil je nog eens vertellen over vroeger, toen er nog water was?”  De oude man, die er veel weerbarstiger uit zag dan zijn vijfenzestig jaar deed vermoeden zuchtte en wilde niet toegeven aan het zoveelste verzoek van zijn kleindochter. Hij had de verhalen al talloze keren aan de jongeren in de groep verteld. Hij schudde zijn hoofd maar hij keek in de ogen van zijn dochter, die tegenover hem zat en zag de bijna smekende blik om toch maar weer een verhaal af te steken. Wat deed het er ook toe, er was toch niets anders te doen. Hij zuchtte een tweede maal en keek omlaag naar het kleine meisje op zijn schoot. Hij streek haar liefkozend over haar smoezelige haar en trok haar nog dichter tegen zich aan.
“Ach, lieve kind… wat moet ik je nog vertellen… Hoe het vroeger was, hoe het nu is? Ik kan je vertellen over mijn eerste jaren op Curaçao, hier niet eens zo ver vandaan. Ik kwam er in de periode van bloei als jonge monteur bij de waterfabriek. Die stond aan de westkant, net voorbij de hoofdstad Willemstad. De fabriek maakte zoet water van zout zeewater. Het was een van de eerste grote fabrieken in het Caribische gebied.” Hier wachtte de oudere man en bleef een lange poos in gedachten voor zich uit staren. Anderen van de groep waren bij de man en het meisje gaan zitten en wachtten gelaten af tot hij weer verder zou gaan. Het waren steeds verhalen uit een lang vervlogen tijd, maar nooit kreeg ook maar één mens genoeg van deze verhalen. Toen het meisje op zijn schoot omhoog keek werden zijn ogen vochtig, maar hij vervolgde met vaste stem.

“Het was ook een van de laatste grote vaste fabrieken in dit deel van de wereld die tot het laatst toe drinkwater bleef produceren. Het was er mooi op het eiland in die jaren. Een ruige natuur en met prachtige helderblauwe stranden, waar je lekker onder een palmboom kon liggen en over de zee kon uitkijken. Niemand had toen voor mogelijk kunnen houden dat dit snel zou ophouden te bestaan. Het leven was er gemoedelijk en het hele eiland kreeg drinkwater uit de fabriek. Ik had er een zorgeloos leven en heb er je Oma ontmoet. De eerste jaren konden we zonder enig probleem water blijven oppompen uit zee, maar na een paar jaar werden de problemen steeds groter. Er moesten steeds meer mensen op het eiland toegelaten worden omdat er op andere eilanden geen drinkwater meer kon worden gemaakt. Maar ook op Curaçao werd het steeds lastiger. Er werden pijpleidingen aangelegd, die het water oppompten uit zee en naar boven moesten voeren. De zee zakte verder en verder en omdat het eiland een atol is, een koraal eiland, levert dat op den duur problemen op. Een atol is eigenlijk een heel raar ding in het water, met trapsgewijs plateaus die heel diep en loodrecht afdalen.
 

 

Na een jaar of tien was het water al 80 meter onder de randen van het oorspronkelijke vaste land en leek het vanaf zee op een grote champignon, die…”
“Opa, wat is een champignon?” onderbrak het meisje hem. Hij glimlachte.

Je weet wel, zo’n paddenstoel die je vroeger kon eten. Vroeger groeiden er in de herfst als het veel regende overal paddenstoelen, maar ze bestaan al lang niet meer. Het eiland leek op een land dat op een hele hoge rechte pilaar stond en op den duur kon je er bijna niet meer boven komen. De trappen moesten steeds langer worden en het werd steeds moeilijker het water boven te krijgen.”
Weer zweeg de man en hij keek de kring rond. Het kleine meisje keek weer naar hem op en vroeg; “Opa, was er toen nog wel genoeg eten? En toen er geen water meer was, waar moesten de mensen toen heen?” Hij glimlachte naar haar en liet zijn blik uiteindelijk rusten op het inmiddels aangelegde kampvuurtje.

“Het werd steeds moeilijker om aan voedsel  te komen, maar de echte problemen begonnen pas na zo’n jaar of twintig. Tot die tijd werden er wekelijks nog vluchten uitgevoerd op de luchthaven, maar na de grote ziekte en het algemene verbod op industrieel waterverbruik, kwamen die ook haast niet meer. Op de oostpunt van het eiland werd een grote verbrandingsoven neergezet om alle doden op het eiland op te ruimen. De waterfabriek ging stuk en het duurde te lang om het te repareren. Van de helft van de mensen die het virus overleefd hadden, ging ook nog eens de helft weg in het jaar van de grote uittocht. Ze gingen op zoek naar een beter land, een beter heenkomen. Ik bleef met je moeder en nog een paar honderd mensen op het eiland achter. We probeerden de waterfabriek in een kleinere vorm lager op de helling te verplaatsen, maar dit lukte ons maar ten dele. Het eiland stierf af net als alle andere karaal atollen verspreid over de rest van de aarde. Het eens zo mooie tropische paradijsje was ze droog als een bakoven. Veel van de oeroude cactussen hielden het het langst vol en de echte Curaçaoënaars konden daar nog lang vocht uit tappen. De mensen die er achter bleven leefden er op de meest primitieve manier.  Maar zoals overal op de wereld gold het recht van de sterkste en er werd op grote schaal geplunderd en gemoord. Ook de allersterkste moest uiteindelijk erkennen dat je er niet meer kon overleven en vertrok. Net als de anderen waren ook wij naar de overkant getrokken, naar Venezuela.”
“Jammer hè, Opa, dat er geen water meer is daar. Ik zou best naar Curaçao willen.”
De oude man bleef lang stil en dacht aan een jaar geleden. Er had jarenlang het gerucht gecirculeerd dat er een geheime waterbron bestond op Curaçao die bewaakt werd door een handvol achterblijvers. Uiteindelijk was er een expeditie van tien mannen op pad gegaan en was naar het eiland vertrokken. Nadat men na veel problemen onderweg uiteindelijk boven was gekomen, waren ze in twee groepjes naar de Oost- en de westpunt gefietst op een paar oude fietsen die ze hadden gevonden. Hun radio’s deden het toen nog en ze deden verslag van het uitgestorven eiland. Er was niets en vonden slechts een beetje brak water in een van de grotten dat ze moesten drinken bij gebrek aan beter. Ze werden ziek en het betekende de dood van vijf van hen. De overigen gingen ernstig verzwakt terug en werden tot overmaat van ramp halverwege de drooggevallen Caribische zee aangevallen door een troep wilde prairiehonden, wat de dood werd van nog eens drie van hen. Uiteindelijk hadden de twee overlevenden het basiskamp weer weten te bereiken en niemand had vanaf die dramatische expeditie nog het lef getoond om verder te trekken. Maar de afgelopen jaren waren er toch kleine groepjes wanhopigen die het lot toch hadden getart. Nog maar drie dagen geleden waren ze op de resten van een eerdere expeditie gestuit. Ze telden vijftien lichamen en ze wisten dat niemand van deze groep het had overleefd. De meesten hadden ze gekend. En toch waren ze nu op pad gegaan ondanks de bezwaren en protesten van de achterblijvers.
“Jullie kunnen het niet maken tegenover die jonge kinderen. Het betekend hun zekere dood. Waar halen jullie het lef vandaan om dit te gaan doen!!” Maar de initiatiefnemers van de afsplitsing waren zeker van hun zaak. Een van hen, een vijftigjarige radiozendamateur had contact gehad met een bevoorrader van het drijvende dorp Luna11 en na veel onderhandelen bedongen dat ze zouden worden opgepikt door het schip. De opgegeven coördinaten betekende een voettocht van zeker tien weken, zonder te weten of ze nog water konden vinden onderweg. Maar er zat zeker een ander groot risico aan. Al vaker werden er zogenaamde reddingsberichten de ether ingestuurd en deze bleken in veel gevallen vals te zijn, bedoeld om een groep onderweg te overvallen en te plunderen. Maar de leiders van de aanvankelijk grote groep vrijwilligers waren vastberaden. Het is geen kwestie van lef, maar van realiteit, hadden ze de overigen voorgehouden. De bron is bijna drooggevallen en dan? Hier blijven betekend ook onze dood. Onder de harde kern van de steeds kleiner geworden groep bevonden zich ook de dochter van de man en haar kind, zijn kleindochter, en de oude man kon niet anders besluiten dan mee te gaan. Hij was de oudste en meest ervaren van de groep en één van de slechts vier die het zich nog konden herinneren ooit in de regen te hebben gelopen.
Maar lef hadden ze getoond, ze waren op pad gegaan en sleepten hun twee karren met waterjerrycans achter zich aan. De honderden achterblijvers hadden simpelweg de levenslust niet meer om mee te gaan.
“Ja, lieve Susan, konden we maar weer naar het eiland terug. Maar we gaan nu ook naar een mooie plek.”
“Ja, en ze hebben er ook koeien toch? En varkens, hè.” De oude man wiegde het meisje in slaap terwijl er langzaam tranen over zijn wangen gleden. Hij keek zijn dochter aan die tegenover hem zat en legde het meisje zachtjes neer op haar slaapplaats.
Ze wenkte hem en zachtjes liepen ze een tiental meters van het kampvuur vandaan.
“Papa, we halen het toch wel?” De anders zo zekere en sterke vrouw durfde de vraag niet hardop te stellen en het kwam er fluisterend uit.
“Daar ga ik zeker van uit, Eline. Het komt goed.”
“En als het niet goed komt?”
De vraag kende maar één antwoord en de oude man trok zijn dochter naar zich toe en zweeg lang.
“Dan doen we wat we moeten doen.”
“Wie heeft de pillen bij zich?”
“Ik. We hebben er precies genoeg voor ons allemaal.”
Er klonk een stem in de duisternis….  “John!... John!”

“John… John… Wordt nou eindelijk eens wakker! We moeten zo weg. Je hebt al een uur liggen slapen. We moeten Susan terugbrengen. Kom op.”
Hij had diep geslapen, zo diep dat hij zich de droom niet meer kon herinneren. Was het wel een droom?  Maar dan sprong zijn kleindochter boven op hem en schudde aan zijn schouders.
“Opa, wakker worden. We moeten met de auto.”
“Met de auto? Het is hartstikke heet buiten.” Zijn vrouw verscheen in de deuropening en keek hem meewarrig aan.
“Nou, jij hebt wel heel erg gedroomd. Kijk eens naar buiten. Je hebt vast het lef niet om op de fiets te gaan.”
Moeizaam en nog half slaapdronken stond hij op en staarde naar buiten. Pas toen drong het geluid tot hem door. De striemende regen kletterde tegen het raam.
“We moeten echt met de auto, de straat staat helemaal blank!”